Uit de oude loods


“LOGOLOZE” Zware Jongens

FTF
 In de jaren zestig werkte ik bij Dirk Ruler in Leersum. We vervoerden toen meestal metalen voor de ROBA in IJsselstein. Dirk was een makkelijk mens. Hij keek niet zo nauw. Ja, met het betalen zat het wel goed, maar als het om lading ging dan had hij graag dat je een beetje meer meenam want dat verdiende beter. Zo kan ik me herinneren dat op een dag mijn DAF DO naar de garage moest voor een ‘extra grote beurt’ – er moest een gereviseerde motor in - en ik met onze oude Bedford naar de Heemaf moest in Hengelo om koperafval te laden. Ik moest mijn eigen aanhanger meenemen. Daar heb je het al: die aanhanger was een Floor-aanhanger. Die avond kwam ik naar huis rijden met meer dan dertig ton koper achter me aan en dat met de Bedford met vier versnellinkjes… Toen ik bij Arnhem naar boven moest redde de Bedford het niet. Ik heb de aanhanger op pechstrook afgekoppeld, de motorwagen gekeerd en toen de hele zaak met de aanhanger op de kop, achteruit naar boven gereden. De Bedford had er moeite mee, maar de Floor aanhanger had best nog een paar tonnetjes meer kunnen hebben. Behalve dat wij metalen reden, reden we ook stenen voor de bouw. Het zware spul dus, en ja, dan was een Floor-aanhanger het beste wat je kon
kopen in die tijd.
FLOOR begon als transportbedrijf maar in de vijftiger jaren begonnen ze in het begin voor eigen gebruik en later voor derden, aanhangers en opleggers te bouwen. De beste! Overbelasting was voor deze aanhangers en opleggers geen enkel probleem. Eigenlijk helemaal niet want je kon er nooit zoveel opladen waardoor hij zou buigen of breken. De weg eronder, ja, daar kon je wel eens putje indrukken…. Eind jaren vijftig werd begonnen met de assemblage van geïmporteerde Mack-trucks. De motor was een echte Amerikaan: een Detroit Diesel en de bak was van Allison. Ongeveer begin jaren zestig ging FLOOR zelf vrachtwagens bouwen na een conflict met Mack. De fabriek stond in Wijchen  bij Nijmegen. De stenenrijders waren gek met de FTF zoals de FLOOR trucks werden genoemd. Ook andere vervoerders van zwaar transport kochten de FTF. Bijvoorbeeld ook de landmacht. FTF bouwde ook de eerste zware vrachtwagen met automatische transmissie. Andere bekende gebruikers waren Hak en Greving. Ook in Doorn zat een stenenrijder die met FTF reed als ik me goed kan herinneren. Maar dat laatste valt tegen: ik weet de naam van het bedrijf niet meer…

Thornycroft ANTAR

In mijn tijd in het leger –Ruim vijf jaar en voor een groot gedeelte doorgebracht bij de Genietroepen- reden we met Tornycrofts met 12 cilinder benzinemotor van Rolls Royce. Hiernaast de Thornycroft ‘ANTAR’ waar we bij de Genie mee reden.

 


Scammell

Een andere zware jongen, waar ik alleen maar een keertje aan heb mogen ruiken was de Scammell.
Wat hebben deze drie merken gemeenschappelijk? In de eerste plaats natuurlijk dat zij enorm sterk waren, robuust, ze konden tegen een stootje en ze lustten een allemaal een flink slokje. (De Antar, als ik het me goed herinner had, geladen met een Centurion tank drie liter nodig om een kilometer ver te kunnen komen… Dat was dan wel benzine en geen dieselolie)
Maar ze hadden nóg iets gemeenschappelijk: Zij hadden ook geen van drieën een logo. (Of het zou bij Antar de grote ‘T’ moeten zijn)
Kennelijk was de gedachte dat als je zulke mooie zware beesten maakt dan ga je toch niet zitten zeuren om een beeldmerk! Dan doe je gewoon en zet je simpelweg je naam er op.
 
 

Nóg een oud Nederlands fabricaat. Kromhout en FTF hebben we al eerder uit de oude loods gereden.
Maar
wie kent deze nog? 

Deze frontstuur had verdacht veel weg van de zevenstreper van DAF, alleen een beetje ronder. Maar de zeven strepen in de grill waren bijna identiek. In de jaren vijftig kwam er in ons dorp een paardenfokker en die reed  met zijn hengsten rond in een Hogra. Maar dan in een torpedo uitvoering zoals hiernaast. De naam Hogra was een samenvoeging van de achternaam van de fabrikant, zijn vrouw, en de plaats waar het bedrijf gevestigd was. De directeur heette W.A. Hoek, de achternaam van zijn vrouw was Gravelaar en de fabriek stond in het Brabantse Ravenstein. En door wat met eerste letters te van die namen te husselen ontstond HOGRA. 

Hoek had jarenlang bij Magirus Deutz gewerkt. Ook had hij al eerder vrachtwagens op de markt gebracht die werden aangedreven door een stoommachine. Dat was geen succes geworden. In 1954 besloot hij het nog een keer te proberen om zelf vrachtwagens te gaan bouwen. Hij leverde vooral chassis met motor. De cabineopbouw werd in die tijd nog heel vaak uitbesteed aan carrosseriebouwers en w
agenmakers. Dat deden anderen in die tijd ook. Zelf heb ik indertijd nog met een DAF gereden waarvan, als ik het me goed herinner, de cabine bij van Eck in Lexmond was gebouwd.  HOGRA gebruikte motoren van Perkins (6 cilinder benzine) en dieselmotoren van Steyr uit Oostenrijk. Het waren kwalitatief, zeker voor die tijd, heel goede auto’s.

Er zijn er waarschijnlijk ergens tussen de 400 a 500 gebouwd voor de fabriek in 1958  (vier jaar na de start) de deuren weer moest sluiten. DAF in het naburige Eindhoven was een te grote concurrent. Net als Kromhout legde ook HOGRA het hoofd in de schoot. Hoek ging verder en werd importeur van van de Oost-Duitse TRABANT.




HOME